.RU

Toenemende vervolging - 5: de nasleep van de ‘causa hamstedie in het werk van acontius

Toenemende vervolging



Johannes Dirckens en Hermes Backereel kwamen in Antwerpen om verzoe­ning tot stand te brengen tussen Adriaan van Haemstede en zijn kerkenraad. Bovendien wilden ze de Antwerpse predikant gelegenheid geven om de families, die naar Aken uitgeweken waren en om hem gevraagd hadden, te volgen. Maar inmiddels bleek de situatie geheel anders geworden te zijn dan de brieven van Taffin en de kerkenraad deden veronderstellen. De vervolging was toegenomen.

Jean des Champs2

werd na een gevangenschap van negen maanden op 5 febr. 1558 op de brandstapel terechtgesteld.3 Hij was bij zijn sterven vergezeld van een Doopsgezinde broeder, maar voelde zich volgens het relaas van Adriaan van Haemstede zo weinig aan deze verwant, dat hij tijdens de terechtstelling voortdurend uitriep, ‘dat hy niet om eenighe dwalinghe ende Wederdooperie en sterf: maer alleen op de rechte leeringe der Apostelen ende Propheten.’ In de officiële acten wordt vermeld welk standpunt hij innam. Hij voegde zich geheel naar de Augsburgse confessie 4 en kon dus niet als wederdoper, als po­tentiële opstandeling veroordeeld worden.

1 A. A. v. Schelven, a.w., P. 333.

2 zie hfdst. 2, § 4, p. 40, 41.

3. volgens de Geschiedenisse...der vromer Martelaren, uitg. 1559, p. 423, werd hij eerst ge­worgd en daarna verbrand. Volgens Antwerpsch Archievenblad VIII. p. 445 werd hij levend verbrand. A.v.H. maakte de zaak niet erger dan zij was, integendeel.

4 Antw. Archievenbl. VIII, p. 443: ‘...zeeght dat hy revoceert ende wederroept zyne bekentenisse ende confessie die hy eenichsins zoude moghen gedaen hebben, voer alsoo vele als dye eenichsins zoude moghen contrarien der Confessien van Auspurg, alleenlyck aende selva Confessie van Auspurg vercleerende hem te willen houden, welcke oick byde Coervorsten besworen is geweest...’

60

In Antwerpen wemelde het van kooplieden, afkomstig uit landen waar de con­fessie van Augsburg de grondslag van het geestelijk leven was, die ongemoeid bleven.

De beschuldiging was geweest, ‘dat hy vander quader secten ende opinien is ende oick in diverscche conventiculen geweest, al contrarie der ordonancien Ons Genadichs Heeren des Conincx opt stuck vande heresien gemaect...’1

Zij bestond dus uit twee delen: een afwijkende opinie in godsdienstige zaken én het tegen de ordonnanties in bijwonen van geheime vergaderingen. Opval­lend is dat na zijn verweer, waarin hij zich op de Augsburgse confessie beroept, slechts één beschuldiging overblijft: ‘overmidts den verweerdere gecontrave­nieert heeft de voirs. placcaten als inde vergeringhen ende conventiculen daer hy selve bekent heeft hem tot diverscche reysen gevonden te hebben...’

Toch werd zo voor het eerst in Antwerpen iemand ter dood gebracht, die ‘be­vonden is geweest van quader opinien ende secten te zyne, bezundere van Calvinus...’2

Als motief voor deze strengere rechtspraak noemt van Haemstede de ontsnap­ping van een Doopsgezinde broeder uit de gevangenis van ‘s Hertogenbosch.3 Deze uitbraak, die met geweld gepaard ging, veroorzaakte beroering aan het Hof van Brabant, waar koning Philips II op dat ogenblik vertoefde. Overal werd een strenger optreden geëist. De markgraaf van Antwerpen, Jan van Immerzeel, besloot tot de executie van de gevangenen over te gaan. De schepenen bewillig­den, ‘God weet met wat ongheruster consciencien.’

Deze executie moet de calvinistische gemeenschap diep geschokt hebben. Voor het eerst werd een lidmaat van hun gemeente om zijn geloofsovertuiging ge­dood4. Nu begon de uittocht van verschillende families.

Ordonnantie van 1 maart 1558

Op 1 maart volgde een ordonnantie van het stadsbestuur,’ die duidelijk maakte dat het de schout, de burgemeesters, de schepenen en de stadsraad ernst was met de straffere lijn.

In de eerste plaats werden hierin verboden ‘heymelcke ende secrete vergaderingen ende conventiculen’ in of buiten de stad. Als het grootste bezwaar van deze bijeenkomsten wordt genoemd, dat zo ‘de gemeyne ruste, welvaert ende

1 id. p. 443.

2. id. p. 445.

3. Geschiedenisse 1559, p. 423.

4. Jan van Ostende behoorde immers niet tot de gemeente te Antwerpen, cf. hfdst. 2, § 1 p. 20 ev.

5. Antw. Archievenbl, II, no. 36, p. 343-353.

61

Policie deser stadt geturbeert’ wordt.1 Ze worden door het gemeentebestuur als oproer ervaren. Het is ten strengste verboden op welke wijze dan ook aan zulke samenkomsten mee te werken. Niemand mag bij dergelijke gelegenheden preken, sacramenten bedienen, huwelijken bevestigen of dit alles ondergaan. Men is verplicht om, als men op de hoogte is van plaatsen van samenkomen of als men namen weet van bezoekers van deze bijeenkomsten, het stadsbestuur in te lichten. Wie zich aan deze verplichting houdt, ontvangt een deel van de goederen die geconfis­ceerd worden (meestal een derde deel). Wie dergelijke inlichtingen verstrekt, blijft bovendien zelf vrij van vervolging.2

Met verontrusting wordt in de ordonnantie gesproken over de toeloop van vreemdelingen, die verdacht van ketterij in hun eigen land niet langer blijven konden. Ieder die van buiten komt moet zich daarom eerst presenteren op het stadhuis om daar een schriftelijke verblijfsvergunning te ontvangen. Huiseige­naren mogen geen woonruimte verhuren zonder die officiële goedkeuring ge­controleerd te hebben.3

Zij die na 1 maart 1556 de stad zijn binnengekomen, moeten zich alsnog melden met een bewijs van goed gedrag uit de vorige woonplaats. Zij die elders uitgewezen zijn, moeten ‘den tytel van hunnen banissemente’ bij de schout inleveren’

Wel wordt zorgvuldig gewaakt over de economische belangen van de stad. De bepalingen gelden niet voor mensen, die uit het buitenland komen en onder de wetgeving van een ander volk staan.

Op zijn verzoek krijgt de markgraaf voor één jaar de beschikking over vijf hellebardiers om het edict kracht bij te zetten.5

Inderdaad slaagt hij er nu in een aantal leden van de Calvinistische gemeenschap gevangen te nemen. Immers op 2 juni 1558 schrijft Arnoldus Piscator in een brief aan Jan Utenhove, dat de toestand van de kerk in de Zuidelijke Nederlanden slechter is dan ooit tevoren. ‘Fratres nostri Antverpiani adhuc sunt in vinculis, nec est spes ulla libertationis, sed cotidie expectant mortem.’3

Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk, dat de gezanten uit Emden, die na 23 maart in de stad kwamen, ijlings weer vertrokken. Op 5 mei komt er in Emden een schrijven uit Aken, waarin van de aankomst van Dirckens en Backereel melding wordt gedaan.’ De broeders daar zijn bereid voorlopig met Dirckens genoegen te nemen.

1. id. p. 343.

2 id. p. 344.

3. id. p. 345.

4. id. p. 346.

5 J. J. Mulder, De uitvoering der geloofsplakkaten en het stedelijk verzet tegen de inquisitie

te Antwerpen (1550-1566), p. 29.

6.. Gerdes, Origines eceleslarum in Belgio reformatarum, bijl. XIV B, p. 140.

7. A. A. v. Schelven, Nederduitsche vluchtelingenkerken..., bewijsst. no. 28, p. 421-422.

62

Backereel is met hun schrijven naar Emden teruggekeerd. Wel vragen zij, of het niet mogelijk is dat hij later samen met Petrus Delenus het predikantschap in Aken op zich wil nemen. Johannes Dirckens voldoet hen kennelijk niet al te zeer.

Van Adriaan van Haemstede is geen sprake meer. Zij hebben zich klaarblijke­lijk neergelegd bij het feit dat hij niet komen kan of wil. Daarom is de veronder­stelling dat deze in het voorjaar 1558 eveneens in Aken geweest is, bepaald niet waarschijnlijk1.

Het pleit voor hem dat hij de gemeente trouw gebleven is, ook toen de ver­volging toenam. De conflicten, die enkele maanden terug zo hoog opliepen, blijken opeens geen enkele rol meer te spelen.

Alleen wordt nu zijn geweten belast met de verwijten van familieleden en vrien­den van gevangen genomen gemeenteleden. Het wordt hem nogal moeilijk ge­maakt, zoals blijkt uit de brief die hij 12 sept. 1559 samen met een geloofsbe­lijdenis aan de keurvorst Frederik van de Palts toezendt. Hij erkent dat onder zijn leiding de gemeente meer bekendheid verkregen heeft. Ten gevolge van die grotere bekendheid zijn verschillende gemeenteleden gevangen genomen. De meesten zijn geen burgers van de stad, zodat ze gemarteld worden. Het ver­driet is merkbaar in de woorden van zijn brief, als hij schrijft hoe hij uitge­maakt wordt voor de eigenlijke schuldige van al het bloed dat vloeit. Hij was immers ‘autorem istius sectae.’ Hij had hen tot de breuk met de oude kerk ge­bracht. Hij zou de rechters moeten antwoorden in plaats van de mensen, die door hem verleid waren.2

Adriaan van Haemstede heeft zich deze verwijten erg aangetrokken.

Een resonans van deze aanklacht vinden wij nog in zijn martelaarsgeschiedenis terug; als hij beschrijft hoe Romanus de verwijten naar zijn hoofd geslingerd krijgt: ‘Ohy verwaende mensche, hoe derfdy dat ghemeyn vola so beroeren... ghy zijt de oorsake van haer doodt, ghy zijt een leydtsman van alle dit quaet. Nu is het oock recht dat ghy voor alle den anderen ghepijnicht sult werden...’3 Romanus verklaardde zich bereid ‘voor alle ende oock alleen te lijden...’

Gesprek met de burgemeester

Deze bereidheid toonde van Haemstede, toen hij een gesprek met de burge­meester aanvroeg om hem te bewegen christenen met rust te laten, ‘qui verae religionis ergo capti essent.’4 Dit gesprek is hem alleszins meegevallen. De

1. Dit gegeven ontleent men aan Harckenroth bij Haase a.w., p. 713. Goeters betwist terecht de mogelijkheid van een verblijf van A.v.H. in Aken, voorj. 1558. Hij houdt dit gegeven wel vast, maar plaatst het in 1559; a.w., p. 18. Harckenroth heeft dit vermoedelijk gecon­cludeerd uit het bericht dat febr. 1558 Antwerpse families naar Aken verhuisd zijn en dat ze A.v.H. als predikant wensten. Zie verder hfdst. 3.

2. W. A. Goeters, a.w., bijl. B, p. 61, 62.

3. Geschiedenisse... 1559, p. 22.

4 Goeters, a.w., p. 62.

63

burgemeester, waarschijnlijk Antoon van Stralen die 30 mei door de veel straf­fere ridder Alvaro van Almaras opgevolgd werd,’ toonde zich ‘sans humanum.’ Uitvoerig hebben zij over godsdienstige aangelegenheden gesproken. Eindelijk riep de burgemeester uit, en de woorden verdienen onze volle aandacht: ‘si revera religio vestra orthodoxa et apostolica est, guur non palam in templis eam proponitis? quur hactenus semper dam convenistis inter vos? Qui mate agit, odit lucem:2

Adriaan van Haemstede reageerde uiteraard onmiddellijk. Hij verklaarde zich op staande voet bereid in het openbaar te preken. Er was hun tot dusver in de stad alleen geen kerk toegewezen. De burgemeester antwoordde daarop dat hij niet de bevoegdheid had om een kerk te geven.

Maar het gesprek maakte duidelijk, dat het grootste bezwaar van het ge­meentebestuur tegen de nieuwe beweging gelegen was in het heimelijke, onder­grondse karakter.

Adriaan van Haemstede had het dus toch bij het rechte eind gehad, toen hij een jaar tevoren al aandrong op openbare prediking om te voorkomen, dat de tegenstanders zouden beweren, ‘dat hetgene, dat quaet is, de duisternisse be­mint.’3 Door de onwil, de angst bij de Vlaamse en de Waalse kerkenraad is hij hier nooit toe overgegaan. Wel heeft hij deze zaak steeds opnieuw aan de orde ge­steld. Tenslotte is duidelijk geworden én door de uiteindelijke beschuldiging tegen Jean des Champs én door de inhoud van het edict van 1 maart 1558 én door het gesprek van Adriaan van Haemstede met één van de burgemeesters, dat het voornaamste bezwaar tegen de calvinistische beweging was: het heime­lijk vergaderen. Zolang de kerk ondergronds bleef, werden de leden als oproer­kraaiers vervolgd. Het verdiende overweging, of de kans op vervolging niet geringer werd, wanneer de calvinistische gemeente tot openbare bijeenkomsten durfde over te gaan.

Brief van P. Datheen aan Calvijn

Deze problematiek komt tot uiting in de brief die Petrus Dathenus 20 sept. 1558 aan Calvijn schreef naar aanleiding van de situatie in Antwerpen.’ Ook hij maakt melding van het feit dat ‘plures Antwerpiae in vinculis detineri qui eo nomine coniecti in vincula dicuntur quod coetus privatos frequentarunt.5 Ken­nelijk heeft de calvinistische gemeente het als een schok ervaren, dat hun ma­nier van samenkomen, terwille van de veiligheid gekozen, nu de eigenlijke aan­klacht vormde. Er is, schrijft Datheen, dan ook een heftige discussie ontstaan.

1. Ik sluit mij hier aan bij de conclusie van F. L. Bos, a.w., p. 25. cf. Antw. Archievenbl. VIII, p. 446.

2 Goeters, a.w., p. 62.

3. in de brief van 21 juni 1557; E. Meiners, a.w., p. 374.

4 Calv. Op. XVII, no. 2963, kol. 345, 346; gedeelte’. vert. door F. L. Bos, a.w., p. 29, 30.

5 cursivering van mij; Calv. a.w., kol. 345.

64

Sommigen houden vol dat deze heimelijke samenkomsten geoorloofd en vroom zijn; anderen ontkennen dat.

Enkele Antwerpse broeders hebben, om hun geweten te ontlasten, Petrus Datheen twee, volgens hem vrij ernstige, vragen voorgelegd.

De eerste was, of die privébijeenkomsten goed en legitiem zijn en of dus hij, die zichzelf, zijn vrouw en gezin wegens deze samenkomsten aan gevaar bloot­stelt, goed handelt.1

In verband met de bijkomende factoren acht hij die vraag moeilijk te beant­woorden. Het stadsbestuur verdraagt geen samenkomsten, die de schijn van samenzwering hebben. Ook erkent het geen clandestiene huwelijken, die op zo’n heimelijke bijeenkomst gesloten zijn. Kinderen uit dergelijke huwelijken worden als onwettig beschouwd. Bovendien kan het geen nachtelijke en heime­lijke begrafenissen toestaan; dan zouden immers moorden en zelfmoorden, onder het voorwendsel van het vermijden van de bijgelovige gebruiken bij een officiële begrafenis, onopgemerkt blijven.

De wijze waarop hij het probleem formuleert, maakt duidelijk dat hij wel be­grip heeft voor de handelwijze van het stadsbestuur. De samenleving werd in­derdaad volkomen oncontroleerbaar, als in het geheim huwelijken gesloten, kinderen gedoopt en doden begraven werden. Ook opstandige elementen kwa­men heimelijk in groepjes bijeen. Een nachtelijke begrafenis kon net zo goed plaatsvinden om een moord te verbergen.

Aan de andere kant, schrijft hij, kunnen de vromen niet in het openbaar bij een priester hun huwelijk sluiten of hun doden begraven zonder stilzwijgend door hun aanwezigheid de bijgelovige gebruiken te aanvaarden.2

In dit dilemma verkeert Adriaan van Haemstede. Men bedenke, dat leden van de gemeente gevangen zaten op beschuldiging van heimelijk vergaderen. Men bedenke, dat de burgemeester de predikant te verstaan had gegeven dat hij hem officieel geen toestemming kon verlenen in een kerk te preken. Er was maar één mogelijkheid om uit deze impasse te komen.

Sacramentsdag, 9 juni 1558

Op de sacramentsdag neemt hij plaats op de Merebrug,3 in het hart van de stad, en begint daar tijdens het voorbijtrekken van de processie in het openbaar te preken. Was hij toen werkelijk ‘verrukt door enen yver, die ontydig was, en velen broederen mishaagde’?4

1 id.: ‘Num coetus illi particulares aut privati boni sint en legitimi, et num is bene faciat qui se ipsum propter coetus hos uxorem familiamque periculo exponit?

2 id. kol. 346.

3 volgens de kaart van Antwerpen, bij Adriaan Uyttenhooven, Geschiedenis der Hervormde Kerke te Antwerpen, van de twaalfde eeuw tot den tegenwoordigen tijd, dl. I, was er slechts één Merebrug; tegen F. L. Bos, p. 26.

4. E. Meiners, a.w., p. 376 citeert deze woorden van Brandt. cf. G. Brandt, Historie der Reformatie, en andere kerkelijke Geschiedenissen, in en ontrent de Nederlanden, dl. I, p. 214. Het gegeven is ontleend aan M. Schoock, Liber de bonis vulgo Eccleslasticis dictis, p. 527:

65

Waarschijnlijker is, dat hij hiertoe besloten heeft in overleg met zijn kerkenraad. De keuze van de dag vertoont eveneens rijp beraad. Op deze dag liepen immers alle schutters in de processie mee. Niet omdat er dan veel mensen op de been waren, eerder omdat de stad dan praktisch zonder bewaking was, zal deze dag gekozen zijn.’

Hoe noodzakelijk het was de heimelijke samenkomsten af te schaffen, bleek nog diezelfde junimaand. Op 18 juni 1558 vond er een overval plaats, die ern­stige gevolgen had voor de calvinistische gemeenschap. Adriaan van Haem­stede beschrijft de gebeurtenissen in zijn martelaarsgeschiedenis.

Nadat ‘s nachts het avondmaal gevierd was, heeft een vrouw de markgraaf ver­raden, waar Gaspar van der Heyden logeerde. Diezelfde nacht werd een inval in dat huis gedaan. Op wonderbaarlijke wijze bleef van der Heyden gespaard.3 Zijn gastheer werd wel gevangen genomen. Bovendien werd beslag gelegd op het ordonnantie-boek van de gemeente én een namenlijst van de ouderlingen en diakenen. Velen zochten nu tijdelijk hun toevlucht in de bossen ten oosten van Antwerpen, het St. Willebortsveld.4

Ook Gaspar van der Heyden heeft nu de wijk genomen. Vanaf 27 sept. 1558 verkeert hij aanvankelijk als gewoon burger in Frankfort a.Main, waar hij later naast Datheen predikant wordt5

Adriaan van Haemstede heeft eveneens het plan gehad Antwerpen te verlaten. Hij heeft de kerkenraad verzocht zijn functie te mogen neerleggen. Deze bewilligde hierin, maar wilde wel dat hij bleef tot een ander gevonden werd, die in zijn plaats ‘de gemene kan tho samen holden’ Dit verzoek om een opvolger bereikte 1 aug. 1558 de kerkenraad te Einden.6

Het is mogelijk, dat van Haemstede in verband met de gespannen situatie in de zomer 1558 enkele reizen gemaakt heeft naar Aken, Frankfort en Gulik. Ook de andere leidinggevende figuren, zoals Anton Verdickt, één van de ouder 

Ita zelo quoque intempestivo, certe multis pijs non probato, anno 1558. Hamstedius, coactus est per plebem Antverpix, in festo Sacramenti (ut vocant) in ponte quodam, ad quem alla crux erecta erat, concionari, prazeunte interea pompa lustrali Papae.’

Te weinig aandacht is geschonken aan de woorden: coactus est per plebem Antverpiae. Som­mige gemeenteleden zullen ongetwijfeld bezorgd geweest zijn, maar het volk in zijn geheel vroeg erom, de situatie daar eiste dit optreden.

1 cf. R. B. Evenhuis, Ook dat was Amsterdam, dl. I, p. 40. In Leuven koos Perceval van Belleghem deze dag om enkele verzen op de kerkdeur te bevestigen; cf. Les Memorables de Francisci de Enzinas, p. 85.

2. Geschiedenisse... 1559, p. 423, 424, 429.

3. M. F. v. Lennep, Gaspar van der Heyden, p. 26, 27; F, L. Bos, p. 27.

4 Geschiedenisse... 1559, p. 429.

5. A. A. v. Schelven, a.w., p. 229.

6 protocollen kerkenraad Emden, p. 104 (afschrift), p. 45a oorspr. tekst: ‘Adrianus tho Antwerpen hefft begeert orloff van der gemene. Darup en is dar geantwordet, wen se ein broder hebben, de dar de gemene kan tho samen holden, sinth se tho freden, unnd Jacop Michiels hefft mit sich gebracht een breff van der gemene van Antwerpen.’ Aan dit gegeven heeft Harckenroth kennelijk de conclusie verbonden, dat A.v.H. toen ook inderdaad Ant­werpen verlaten heeft; Haase, a.w., p. 713.

lingen, hadden tijdelijk de stad verlaten. Na verloop van tijd keerden de mees­ten terug. Misschien vinden we de persoonlijke opvatting van Adriaan van Haemstede terug in wat hij over Anton Verdickt schrijft: ‘Na dele vlucht heeft hy wederom eenen moet ghegrepen om tot Antwerpen by de broeders weder te keeren, voor hem nemende niet meer van daer te vlien: maer de gemeynte in aller noot by te staen ende behulpich te zijn. Want (seyde hy) Antwerpen is ghe­lijck een weerelt, men mach hem daer wel in verborgen houden, sonder daer wt te vlien’. 1

Wel hebben de gebeurtenissen de kerkenraad duidelijk gemaakt, dat heimelijke godsdienstoefeningen niet langer gehouden konden worden.

In deze situatie gaat van Haemstede ertoe over buiten de stad openlijke samen­komsten te beleggen, zoals hij later de keurvorst schrijft: ‘cepi iam non clan­culum amplius, sed palam eccleslam convocare extra civitatem.’2 Hij werd hier­toe aangezet door Anton Verdickt. In zijn martelaarsgeschiedenis schrijft hij: ‘Alsmen doe gheen huysen en konde krijghen om de ghemeynte te vergaderen, ende een yegelick bevreest was door het vervolch ende gheweldt datmen den Christenen daerom dede: so arbeydde Antonius daer toe dat men in tvelt ver­gaderen ende by een komen soude om Gods woord te prediken... Hy gaf den Predikant eenen moet, segghende, datmen also behoorde het licht op een kan­delaer te stellen, datse alle sien mochten...’3

Deze stimulans ontving hij notabene van een ouderling, die op 17 febr. van hetzelfde jaar mede de brief ondertekend had vol aanklachten tegen hem, onder andere over zijn onophoudelijk aan de orde stellen van de openbare prediking. De omstandigheden hebben hem in het gelijk gesteld. De wijze waarop hij zijn huisvesting geregeld had, bleek de meeste veiligheid te bieden, niet enkel voor hemzelf, maar evenzeer voor de gemeente: men denke aan de namenlijst die de overheid bemachtigde door de overval op het huis waar Gaspar van der Heyden vertoefde. Zijn tegenzin in het heimelijk samenkomen bleek goede grond te hebben.

De beschuldiging, die Gilmont in navolging van de meeste auteurs aan het adres van Adriaan van Haemstede gericht heeft: ‘Les interventions de Haem­stede, avec leur allure de provocation, accélérèrent sans doute le durcissement,’4 is niet juist. Zijn gedrag is zeker niet tegenover het stadsbestuur provocerend geweest, maar getuigde eerder van behoedzaamheid.

Men kan met nog meer recht stellen, dat de methode van kerkvorming, die Gaspar van der Heyden toegepast heeft, het straffere optreden van de overheid uitgelokt heeft. Het is ook uiterst merkwaardig dat diezelfde overheid, die zo snel toesloeg

1. Geschiedenisse... 1559, p. 429.

2. Goeters, a.w., p. 62.

3. Geschiedenisse... 1559, p. 429, 430; cursivering van mij.

4. J.-F. Gilmont, a.w., p. 387.

67

na het verraad van de nachtelijke samenkomst, nu zo laconiek reageert op de openbare prediking in het veld.

Als Gillis Verdickt, de broer van Anton, in Brussel gevangen genomen wordt, stelt men hem de vraag of er soms uit Antwerpen mensen naar Brussel komen om naar zijn prediking te luisteren. Dan antwoordt hij: ‘mijn predikinge, mijn heeren, en zijn niet te ghelijcken by die te Antwerpen gheschieden. Daer soudt ghy gaen, als ghy wondt hooren prediken: daer doet ment opentlick, dat een yeghelick mach oordeelen van de leeringhe. Ick ben alleen van hen gesonden. De Amptman vraechde hem, wie daer predicte: hy antwoordde, Adrianus Haemstedius."1.

Deze Gillis, die na zijn breuk met de oude kerk in Emden, Norden (bij Maarten Micron) en Zürich geweest was, zich vooral op de studie van de Griekse taal toeleggend,2 had zich na zijn terugkeer met grote vrijmoedigheid over de kerk uitgelaten. Bij de begrafenis van zijn zwager, vermoedelijk in het dorp waar hij zelf vandaan kwam, Hilversseele in Vlaanderen, kwam hij in conflict met de geestelijkheid aldaar. Op het laatste ogenblik, doordat hij zich in de schuur bevond toen de ruiters voor het huis van zijn zuster afstegen, wist hij arrestatie te voorkomen en verdween over de velden.3

Hij trad in Vlaanderen zo openlijk op, dat Petrus Titelmans, ‘de meest beruchte van alle Nederlandse inquisiteurs en waarschijnlijk wel terecht 4 de deken van Ronsse, hem voor het geestelijk hof daagde en in de ban deed. Gillis spijkerde een brief op de kerkdeur vast, waarin hij de deken tot bekering riep en hem met een eeuwige verbanning uit het koninkrijk Gods bedreigde.5

De gemeente in Brussel was inmiddels zo gegroeid dat men ook daar een predikant wenste. Helaas had zich daar iemand op de voorgrond gedrongen, die meer door eerzucht dan door geloof gedreven werd. In Antwerpen besloot men de zusterkerk te hulp te komen. Na aanvankelijke weigering stemde Gillis erin toe als predikant naar deze gemeente uitgezonden te worden. Samen met Adriaan van Haemstede heeft hij de reis ondernomen.

Van Haemstede heeft van de gemeente geëist, ‘dat sy den anderen souden ont­slaen, ende Gillis beproeven voor een tijt lank, of hy haer bequaem soude duncken.’6

In Antwerpen was die ander waarschijnlijk beter bekend dan in Brussel, gezien het optreden van Adriaan van Haemstede. Dat dit optreden gerechtvaardigd was, bleek uit de reactie van die ander. Hij zette zich nu tegen de gemeente af, ‘soeck ende niet alleen den swacken te verleyden: maer oock verachtede hy de ordinantien des Heeren Christi, als poppenspel.’

1 Geschiedenisse... 1559, p. 425.

2 id. p. 423.

3 id. p. 424.

4 P. Th. v. Beuningen, Wilhelmus Lindanus als inquisiteur en bisschop, p. 196, aant. 1.

5. Geschiedenisse... 1559, p. 424,

6. id. p. 425.

68

Deze woorden zijn onze aandacht waard, omdat van Haemstede zelf zich door­gaans meer door zijn geweten liet leiden dan door de kerkelijke spelregels, maar hoe eigenzinnig hij ook zijn mocht, nooit zou hij terwille van eigen belang de kerkelijke ordening overtreden; wie dat deed, maakte er z.i. een poppenspel van. De versmaadde predikant dreigde, ‘dat eer drye daghen eenighe om halsen souden komen..’ Het dreigement werd ook uitgevoerd. Binnen drie dagen werd een inval gedaan in het huis waar Gillis verbleef. Hoewel hij geen bewijs heeft, legt van Haemstede wel verband tussen de afwijzing van de éne en de gevangen­name van de andere predikant.

In de gevangenis werd Gillis door zijn broer Anton opgezocht. Bij diens tweede bezoek werd deze door de gevangenbewaarster aangegeven en eveneens ge­vangen gezet.1

Ook Anton had, voordat hij gevangen genomen werd, in het openbaar vele malen uiting gegeven aan zijn gevoelens. Hij trok in zijn geboortestreek rond. Onderweg in de schepen, waarin hij reisde, sprak hij de mensen openlijk toe. Ook hij werd door Titelmans in de ban gedaan, zonder dat hij hierdoor ge­remd werd in zijn verkondiging; integendeel, hij is ‘altijt neerstich gheweest, om zijn Lantsluyden tot de waerheyt te trecken: so datse oock van daer af tot Antwerpen quamen om de vermaninghe te hooren…2

Kortom, elders in het land was het niet zonder risico openlijk uiting te geven aan reformatorische gevoelens. Verklikkers waren wel zo talrijk, dat de in­quisiteur spoedig op de hoogte kwam. In Brussel was de waakzaamheid van het gemeentebestuur van dien aard, dat zowel Gillis als Anton Verdickt spoedig gevangen genomen werden.

In Antwerpen werd wel de éne na de andere doper verbrand, maar de openbare prediking van Adriaan van Haemstede ging ongestoord door. Uit de omliggende dorpen, uit de stad zelf stroomden de mensen toe. De overheid greep niet in.

De rechtspraak tegen calvinistische gevangenen als Herman Janssens en Cor­nelis van Halewijck, werd voortdurend vertraagd door de zogenaamde ziekte van schepenen.3

Terwijl Anton Verdickt gevangen genomen wordt, zodra hij zijn broer in de gevangenis te Brussel bezoekt, worden de calvinistische gevangenen in Antwer­pen door hele groepen bezocht. Ze houden zelfs wel een afscheidsmaal met el­kaar, zonder dat iemand ingrijpt4.

Alles wijst erop, dat Adriaan van Haemstede in het dilemma, dat in het gesprek met de burgemeester duidelijk was geworden, de enig mogelijke weg ingeslagen was.

1 id. p. 431.

2. id. p. 430.

3. Antw. Archievenbl. VIII, p. 448-459; 471-472.

4. Geschiedenisse, 1559, p. 446.

69

De calvinistische gemeenschap in Antwerpen kon in het najaar 1558 met vrij­moedigheid naar buiten treden, dankzij het beleid van Adriaan van Haem­stede. Dit beleid getuigde niet van overmoed. Integendeel, hij spande zich in om een goede verstandhouding met de overheid te verkrijgen.

Dit blijkt ook uit het standpunt dat hij zelf innam inzake huwelijkssluiting en doopsbediening in de oude kerk.

In de reeds ten dele besproken brief van Petrus Datheen aan Calvijn van 20 sept. 1558 1 was, behalve het heimelijk samenkomen, aan de orde gesteld of het de gelovigen vrij stond hun kinderen door de ‘papisten’ te laten dopen, zolang een andere openbare godsdienstoefening niet toegestaan was. Ook deze kwestie vond Datheen moeilijk oplosbaar. Immers als een kind niet gedoopt wordt, missen de ouders de troost van dit teken en staan ze bloot aan de verdenking Doopsgezind te zijn. Als het kind in heimelijke samenkomsten gedoopt wordt, lopen de ouders helemaal gevaar.2 Laten ze het wel dopen, onder protest, dan lopen ze eveneens risico. Hij vond het probleem zo moeilijk, dat hij zich niet zelf aan een antwoord waagde.

Brief van A.van Haamstede aan Calvijn

Adriaan van Haemstede heeft zich ook persoonlijk met deze kwestie tot de grote leraar van Genève gericht, waarin hij zelf wel een duidelijk standpunt heeft ingenomen.3 Wat Calvijn door zijn lange ervaring nog veel beter weet, hoe moeilijk en riskant het is de kerk van God te besturen, dat ervaart hij zelf in toenemende mate. Het probleem is, dat het in de regering van de kerk niet alleen om heilige en goddelijke, maar ook om menselijke en politieke factoren gaat.’

Hij ervaart het als een troost dat het hem in zulke moeilijke omstandigheden vrijstaat het oordeel van geleerde mannen te vragen; zo ziet hij Calvijn dus wel. De vraag die hij hem voorlegt, is het veelbesproken punt: ‘an Christianus a papistico sacrificulo, nihil contra Christi institutionem agente, paedobaptis­mum petere posset, ubi clancularia ecclesla solum esset.’

Hij weet dat deze vraag ook via Frankfort aan Calvijn voorgelegd was.

Hij voegt er nog een tweede vraag aan toe: ‘an Christiano contrahere matri­monium liceret papistico ministro approbante, modo nihil superstitionis ad­misceatur.’

Deze vragen werden over het geheel genomen door de calvinistische leiders ontkennend beantwoord. Ook in de kerkenraad van de Nederlandse

1. zie p. 64, 65.

2 Calv. Op. XVII, no. 2963, kol. 346: ‘Si in privatis piorum coetibus baptizetur creatur parentibus praesentissimum periculum.’

3 Calv. Op. XVII, no. 2987, kol. 388, 389; volt. vert. van de brief bij F. L. Bos, p. 30, 31; de brief is gedateerd: Sexto Calend. Decembr. 1558; 26 nov.

4. id. kol. 389: ‘non tantum sacra divinaque verum etiam humana et politica novisse ac internovisse...’

70

vluchtelingengemeente te Londen komt deze kwestie meermalen aan de orde. Deze acht de doop niet zo heilsnoodzakelijk dat men die desnoods in de rooms-katholieke kerk zou mogen zoeken. De doop mag niet losgekoppeld worden van de bediening van Gods woord; beide behoren in handen te zijn van een werkelijke dienaar van God (in reformatorische zin).1

Over doop en huwelijk ‘sub Papista sine papisticis ceremoniis, opnieuw aan de orde gesteld door de kerk te Antwerpen, spreekt Petrus Delenus, inmiddels verwikkeld in het conflict met Adriaan van Haemstede, zijn veroordeling uit. Hij acht ze ‘illicita’2.

Petrus Datheen durft geen beslissing te nemen.’

De onafhankelijkheid van Adriaan van Haemstede wordt duidelijk, als hij zelf in zijn brief aan Calvijn als zijn mening uitspreekt: ‘Ego id Seri posse affirmabam...’4

Hij gaat met name in op de kwestie van de huwelijkssluiting. Zijn voornaam­ste argument is dat een huwelijk dat niet in de oude kerk gesloten is, door de magistraat als onwettig beschouwd wordt. Hij meent ‘inter politicas ordina­tiones referendam esse hanc matrimonii celebrationem, quemadmodum alii contractus in quibus papistico notario papisticisque testibus interdum utimur...’ De oude kerk en de samenleving zijn zo ineengestrengeld, dat het z.i. niet billijk is van de mensen te eisen dat ze elke dienst van de rooms-katholieke geestelijk­heid afwijzen. Met Paulus is hij bevreesd de gelovigen dan een juk op te leggen, ‘et peccatum appellare id de quo mandatum non habemus in scripturis expres­sum:

Deze argumentatie geldt grotendeels ook voor de kinderdoop. Dat hij die kwestie verder niet aanroert, hangt wellicht samen met zijn visie, zoals hij die ongeveer een jaar later in zijn geloofsbelijdenis uiteenzet, dat voor de doop in aanmerking komen allen aan wie het evangelie verkondigd kan worden.5 En in Londen zal hij als mening naar voren brengen dat het ouders vrijstaat hun kin­deren tot het zevende jaar ongedoopt te laten.6

Het verdient aandacht, dat Adriaan van Haemstede, die toch niet enkel theoretisch over de betrekkingen met de rooms-katholieke kerk nadenkt, de mogelijkheid openhoudt, dat bepaalde geestelijken bereid zijn huwelijken te voltrekken en doopsbedieningen uit te voeren zonder daarbij gebruik te maken van gewoonten, die door de protestanten als bijgelovig worden ervaren.

Dat dit niet altijd mogelijk was, blijkt uit de geschiedenis van

1. Kerkenraads-Protocollen der Nederd. Vluchtelingen-kerk te Londen 1560-1563, p. 19, 20; verg. v. 15 juIi 1560.

2 id. p. 53; verg. v. 29 sept. 1560.

3. Calv. Op. XVII, no. 2963, kol. 346.

4. id. no. 2987, kol. 389.

5 W. G. Goeters, a.w., bijl. A, p. 54.

6. zie hoofdst. 4

71

Adriaan Coreman.’ Deze wilde zijn kind niet in de oude kerk laten dopen, ‘om dat sy daer seer groote gruwelen ende enckel tooverie in het doopen ghebruycken... Deer- om heeft hy zijn kind in de Christelicke ghemeynte doen doopen." 2.

De grootvader van het kind maakte daarover zoveel misbaar, dat het voorval alom bekend werd. Hij liet het kind overdopen. Adriaan Coreman werd gevan­gen genomen.

Adriaan van Haemstede veroordeelt het standpunt van zijn naamgenoot be­slist niet. Hij meent dat deze het recht moet hebben zijn kind te laten dopen op de wijze die met zijn geweten overeenkomt. In het verhaal klinkt duidelijk verontwaardiging dat iemand op grond van deze inzichten gevangen genomen en gedood kan worden.

Ook dit verhaal toont het ambivalente karakter van de stedelijke overheid. Men wordt vervolgd, wanneer men geheime bijeenkomsten belegt, in het ge­heim begraaft, kinderen laat dopen in geheime samenkomsten. Maar tegen Adriaan van Haemstede, die openlijk op het veld buiten de stad de nieuwe leer uitdraagt, wordt niet opgetreden. Gillis en Anton Verdickt kunnen binnen Ant­werpen ongestraft optreden.

Nu de situatie zo ligt, wil van Haemstede het gemeentebestuur zo weinig mogelijk provoceren. In zaken die ‘humana et politica’ zijn, wil hij de overheid tegemoet komen.

Wellicht mag men hieraan de conclusie verbinden, dat hij de rooms-katholieke kerk ondanks het heidendom dat haar zijns inziens overwoekerd heeft, toch nog als ware kerk ervaart. Wanneer bepaalde geestelijken afzien van bijgelovige gebruiken, heeft hij geen principieel bezwaar tegen huwelijkssluiting of doopsbediening in de rooms-katholieke kerk. Hoe scherp hij zich in zijn mar­telaarsgeschiedenis ook over deze kerk mag uitlaten, hij beschouwt haar nog als kerk.

In ieder geval blijkt uit zijn standpunt, hoezeer hij aan het geweten het pri­maat toekent. Elk verschijnsel beoordeelt hij naar de voor hem beslissende vraag, in hoeverre het de vrijheid van het geweten eerbiedigt. Daar valt voor hem de beslissing.

Even leek het, of het gemeentebestuur van Antwerpen deze gewetensvrijheid wilde toestaan en ruimte liet voor andere visies, mits deze in het openbaar uitge­dragen werden, maar na verloop van tijd drongen kerkelijke machten naar vo­ren die het stadsbestuur tot een minder tolerante houding dreven.

Met bitter­heid schrijft van Haemstede dan ook in zijn martelaarsgeschiedenis: ‘Als nu het Evangelium tot Antwerpen so openbaer ghepredickt was, daer alle god­vruchtige in verhuechden: zijn de Papen ende Moniken verwoet gheworden van wreetheyt. Sy liepen ten Hove des Konincx, ende deden haer beklach,

  1. Geschiedenisse...1559, p. 444 ev; Antw. Archievenbl. VIII, p. 471.

  2. Gesch...I559, p. 445.

72

beschuldichden de Overheyt des stadts van Antwerpen, van, datse onachtsaem waren om de gheloovighen te verderven.1

Door het Brusselse Hof is druk uitgeoefend op het stadsbestuur van Ant­werpen. Op 12 dec. 1558 werd nu de ordonnantie van 1 maart opnieuw uitge­vaardigd.2 Het feit dat deze herhaling nodig was, is tekenend voor de geringe uitwerking van de eerste. De markgraaf heeft zich klaarblijkelijk voorgenomen nu meer ernst met de uitvoering te maken. Acht dagen later volgt een nieuwe bekendmaking.

Ordonnantie van 20 dec. 1558 3

Vastgesteld wordt, dat er nog steeds ‘heymelicke ende onbehoirlycke vergaderingen ende conventiculen’ gehouden worden.4

Besloten is nu ook op te treden tegen Adriaan van Haemstede zelf, wiens naam en signalement in de ordonnantie beschreven worden. Er worden immers ‘diversche hereticque, oproerige leringen ende predicatien gedaen..., princi­palyck by eenen Adriaen, geboren van Hamstede, vuyt welcke heymelycke ver­gaderingen, quade predicatien ende leeringen, zouden ontwyffelyck geraken te comene, onder het gemeyn volck deser stadt, groote tweedracht, commotie ende oploop, tenderende totte geheele ruyne ende bederffenisse der voirs. stadt...’

Zo wordt hij uiteindelijk toch, tegen zijn bedoeling in, als oproerkraaier aan het volk voorgesteld.

Deze beschuldiging is hem blijvend gevolgd, zelfs ver buiten de invloedssfeer van Antwerpen. Bij de kerkvisitatie in Gulik in 1559 wordt verteld, hoe daar iemand geweest is, van wie eigenlijk alleen bekend was dat hij ‘binnen Antorf
Bij weet zich zo door deze beschuldiging besmet, dat hij in zijn brief van 12 sept. 1559 aan keurvorst Frederik hieraan uitvoerig aandacht besteedt. Als er opschudding ontstond bij zijn optreden, lag de oorzaak niet bij hem; dat was nu eenmaal de eigenschap van dat wonderlijke woord dat hij prediken moest. Christus is niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.

Hij voegt er uitdrukkelijk aan toe, dat hij deze roering nooit gewild heeft. ‘Testor autem Deunt meum, me nihil magis in votis habere, quam ut pax publica conservetur.’

1. id. p. 444. ef. brief v. A.v.H, aan keurvorst, Goeters, a.w., p. 62: Connivebat magistratus aliquamdiu, clamabant et vociferabantur monachi et sacrificuli e suggestu contra coetus nostros, discurrebant ad aulam regis, conquerebantur de hereticorum audacia, qui ita palam conveniant, ut una hebdomada, antequam concio fiat, locum designent; magistratum negli­gentiae accusabant, qui talen impunitos forret.’

2. Geschiedenisse...1559, p. 445; Antw. ArchievenbI. II, p. 347-353.

3. Antw. Archievenbl. II, p. 353-355.

4. id. p. 353. Dit goId niet minder voor de Doopsgezinden dan voor de calvinisten. 5. Jülich-Bergische Kirchenpolitik am Ausgange des Mittelalters und in der Reformations­zeit, zw. Bnd, erst. TI.: Jülich (1533-1589), P. 375.

73

Dat Gods woord zoveel onrust teweegbrengt, komt door de slechtheid der mensen. Zij kunnen het licht van het evangelie niet velen. Hij haalt het woord van Jezus aan dat de vredestichters zalig zijn en kinderen Gods genoemd wor­den; waarom zou ik liever oorlog dan vrede wensen?1

Dat hij naar deze eigenschap streefde, lijkt niet zo waarschijnlijk, gezien de conflicten die als paddestoelen om hem oprijzen, maar de gebeurtenissen in Antwerpen spreken in zijn voordeel.

In de genoemde ordonnantie wordt zijn signalement zo duidelijk weergege­ven, dat we ons een vrij nauwkeurige voorstelling van hem kunnen maken: ‘...Adriaen, van Hamstede, wesende een lanckachtich man, mager, met eenen dunnen bruynachtigen baerde, ende hebbende veel sproeten in syn aensicht, vanden ouderdom van omtrent XXXIII oft XXXIIII jaeren.’2

Er is een prijs van driehonderd Carolusgulden op zijn hoofd gezet, zoals hij later ook de keurvorst schrijft.3 Ook andere leidinggevende figuren van de cal­vinistische gemeente worden gezocht, zoals teeraers, Predicanten, Gouver­neurs, Ouderingen, Diakenen, Wyckmeesters, Ontfangers, Aelmoesseniers, Vercondigers, Weerden, Huyssoeckers, Weetdoenders oft diergelycke...’4

Opvallend is het grote aantal functies, dat hier vermeld wordt. Al mogen we aannemen, dat de markgraaf in zijn streven naar volledigheid een enkele maal verschillende benamingen voor dezelfde functie gebruikt zal hebben, toch blijft het feit bestaan dat de gemeente er destijds in geslaagd is veel leden in te scha­kelen bij haar activiteiten.

Vervolgens worden in de ordonnantie vijfendertig namen genoemd van men­sen, die opgeroepen worden op het stadhuis te verschijnen. We treffen hier de naam van Gaspar van der Heyden aan. Wie één van deze personen aangeeft bij de justitie, zal vijftig Carolusguldens als beloning ontvangen.

Het is tekenend voor de bescheiden plaats, die van der Heyden in het stadsleven ingenomen heeft, dat hij slechts vijftig gulden waard wordt geacht én dat het nog steeds niet tot de overheid doorgedrongen is, dat hij al enkele maanden te­voren de stad verlaten heeft.

In deze zelfde ordonnantie worden ook twee Doopsgezinde voorgangers ge­noemd, Leenaart Bouwens en Joachim Vermeeren, die voor de eerlijke(?) vin­der eveneens driehonderd Carolusgulden de man zullen opleveren.5

Dat ook deze ordonnanties niet het resultaat hadden, dat de markgraaf zich wenste, blijkt uit de brief van Adriaan van Haemstede aan de keurvorst. Nog tal­rijker werd het publiek dat hem buiten de stadspoorten beluisterde, ‘quasi illo

1 Goeters, a.w., p. 63. ‘Scio ego pacificos (Christo judice) beatos esse et filios Dei vocari, guur ergo belIum potius quam pacem optarem?’

2 Antw. Archievenbl. II, p. 353.

3. id. p. 354; Goeters, a.w., p. 62: siquis me in manus magistratus traderet, acciperet pro mercede trecentos aureos.’

4 Antw. Archievenbl. II, p. 354.

5 id. P. 355.

74

mandato impulsus,’ schrijft van Haemstede naar aanleiding van het edict van 12 dec. Al had ik willen ophouden, dan stond het volk dat nog niet toe. Daar het dus onvermijdelijk was, dat ik mijzelf aan gevaren blootstelde, heb ik mij toevertrouwd aan de bescherming van de hoogste God...1

Het gebrek aan resultaat bleek ook uit het feit dat de ordonnantie van 12 dec. 1558 op 5 jan. 1559 nog eens herhaald werd. Hieruit bleek overigens ook, hoe­zeer het de markgraaf ernst was.

Op 7 jan. 1559 werden de namen uit het edict van 20 dec. 1558 nog eens her­haald.2

Het wekt enige verbazing dat we op beide lijsten de naam van
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • © sanaalar.ru
    Образовательные документы для студентов.